Getuigen van het einde van de oorlog in de Noord-Médoc

 

carte

Op de stranden van de Médoc zijn ook vandaag, zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, de sporen van het rampzalige verleden nog duidelijk te zien. Heel anders is het met de collectieve herinnering: ouderen zijn de oorlog en de gevolgen daarvan niet vergeten, maar jongeren richten zich veel meer op de toekomst. Die ouderen zijn, voor zover zij de oorlog nog als kind hebben meegemaakt, als getuigen van de jongste geschiedenis van de Médoc net zo waardevol als de weinige documenten uit deze periode, die tot nu toe zijn teruggevonden. Zoals bijvoorbeeld de brieven van de Duitse krijgsgevangene Wolfgang Knöchel, die als mijnenruimer werd ingezet.

Tijdens een bijeenkomst, waarbij meer dan 80 mensen aanwezig waren, spraken verschillende mensen over hun herinneringen uit de Tweede Wereldoorlog en de periode vlak daarna. Deze bijeenkomst, met als titel "de Pointe de Médoc aan het eind van de Tweede Wereldoorlog" was georganiseerd door de Vereniging Connaissance du Médoc en door Médoc Actif.

In het middelpunt van de bijeenkomst stond Karin Scherf, redacteur bij de Duitse televisie. Na de dood van haar vader vond zij een aantal brieven, die hij tijdens zijn krijgsgevangenschap in de Médoc aan zijn ouders had geschreven. Die brieven vormden de basis voor haar voordracht.

Negen inwoners van de Médoc, die het einde van de Tweede Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt, vertelden aansluitend over hun herinneringen, waarbij vooral de evacuatie uit het noorden van de Médoc een belangrijke plaats innam. Ouderen, vrouwen en kinderen moesten het noorden van de Médoc verlaten om het aantal burgerslachtoffers bij de toenmalige gevechten zoveel mogelijk te beperken. Lopend moesten deze mensen in februari 1945 zich in veiligheid brengen in Queyrac, dat toentertijd in de bevrijde zone lag.
(Georges Rigal in de Sud-Ouest van 12 oktober 2016)

ooggetuigen:

Zeitzeugen Jean-Jacques Corsan Mimi Lanaud Jean-Paul Lescorce Roger Armagnac
Huguette Mothes Raymond Drouet Roger Dillemann Françoise Chaussade Jean-René Lacoste
klik op de foto's om verder te lezen...


Maryse Calbet (Gaillan) / Elke Schwichtenberg (Saint-Vivien)
Jacqueline Tabuteau (Bordeaux) / Christian Büttner (Saint-Vivien), translation: Christopher Murray

Jean-Jacques Corsan (Soulac)

Het was een tijd die het leven van ons allemaal heeft veranderd. Ik kan alleen maar zeggen dat mijn vader 5 jaar als krijgsgevangene in Duitsland, in Keulen, werd vastgehouden. Na 1945 waren de rollen omgekeerd en werd hij naar Le Verdon gestuurd om daar gevangenen te bewaken. Daarna werd hij ook als mijnenruimer ingezet. En daar kan hij best de vader van mevrouw Scherf zijn tegengekomen.

Ik wil maar zeggen, er is een overeenkomst tussen haar en mijn vader. Ze hebben ons nooit iets over die tijd verteld. Ze hebben die periode van oorlog weggestopt en zich gericht op de toekomst in de hoop dat die toekomst Europa zou zijn, en vrede. Dat is de kern van hun verdere leven. Een noodzaak die ik ook voel, dat je er absoluut aan moet werken in om vrede te kunnen leven.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Mimi Landau (Grayan et L'Hôpital

Ik heb nog herinneringen aan de periode van 1939 tot 1945. We waren uiteindelijk nog in Grayan, te midden van de Duitsers, want het was een Duits bolwerk. Wij woonden naast het Duitse hoofdkwartier.

Er waren daar hoofdzakelijk officieren. We kunnen ons absoluut niet beklagen want ze waren erg vriendelijk voor ons. Natuurlijk, er was een spertijd, er waren beperkingen, daar moesten we het mee doen. Maar ze hebben ons vaak te eten gegeven, wat uiteraard heel belangrijk was. De moeilijkste tijd voor mij was in de zomer van 1942, toen werden de scholen in Grayan gesloten en moesten we op school gaan in Talais, Saint-Vivien of Vensac. Voor ons was dat ver weg, zonder schoenen, zonder warme jas, eigenlijk met helemaal niets. Daarom ben ik naar de zuster van mijn vader gegaan in St. Seurin de Cadourne. En daar ben tot het eind van de oorlog naar school gegaan. In de vakanties gingen we naar Grayan. En in de laatste september ben ik met mijn zusje en met alle oudere mensen geëvacueerd. De bruggen waren al opgeblazen omdat de andere kant al bevrijd was. We moesten de rivier de Gua over provisorisch gelegde planken oversteken . En vandaar kwamen we in Queyrac, waar onze buren waren. Vanuit Queyrac zijn we te voet naar Saint-Seurin de Cadourne gegaan. Ik kon twee dagen lang alleen maar zitten en niet meer lopen omdat we zoveel kilometers hadden moeten afleggen om daar aan te komen. In 1945 ben ik weer teruggekomen.

Dat zijn zo een paar herinneringen uit die tijd, die voor mij heel naar was omdat ik niet bij mijn ouders kon zijn.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Jean-Paul Lescorce (Soulac)

Op 26 juni 1940 bereikten de eerste Duitse troepen Le Verdon. Ze hadden de veerboot "Le Cordouan" gevorderd. Op de 27ste kwamen ze naar Soulac. Ik was toen drie jaar, maar ik herinner me er toch nog wel iets van. Mijn vader liep met mij door de Rue de la Plage en plotseling zagen we motoren met zijspan... mensen met helmen op en geweren om hun nek: dat waren de eerste soldaten. Mijn vader verbleekte van angst, zo vertelde hij me later. "Die dag zal mij de rest van mijn leven bij blijven".

De Duitsers vroegen mijn vader waar ze benzine konden krijgen. Mijn vader wees ze de weg en later werd het café van mijn ouders net als veel andere openbare gebouwen gevorderd.

Als kleine jongen van een jaar of zeven heb ik de officieren van de Kriegsmarine en van de Wehrmacht gezien, mensen die niets met de SS te maken hadden. Natuurlijk, er waren geen joden in Soulac en ook niet meer in Le Verdon, dus bij ons bleef het betrekkelijk rustig.

Iedere avond kwam er een Duitse soldaat met zijn accordeon bij ons om de Duitsers te vermaken, maar de mensen uit Soulac en het noorden van de Médoc, die in ons café kwamen om te eten en te drinken vonden dat ook leuk. Ondanks de bezetting bleven de mensen komen, onderhielden zich met de hogere officieren van de Kriegsmarine, speelden samen kaart en gingen dus uiteindelijk gewoon met elkaar om. En op 10 februari 1944 heb ik vanaf ons balkon veldmaarschalk Rommel gezien.

Ik herkende al die anderen, maar hem niet. Hij was anders gekleed, hij had een witte sjaal om en een raar stuk hout in zijn hand. Pas 60 jaar later, toen ik mijn documenten nakeek, realiseerde ik mij dat het Rommel geweest moet zijn en dat dat stuk hout zijn maarschalksstaf was. Dus ook als klein jongetje kun je getuige zijn en ik heb dat alles heel precies gezien.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Roger Armagnac (Le Verdon)

Allereerst moet ik u vertellen dat we met vijf kinderen waren, dus erg veel hadden we niet te eten. Achter ons huis was een Duits legerkamp, voor de helft bevolkt met cavalerie en voor de andere helft met soldaten. En daar was een keuken. De eerste soldaten, die naar Le Verdon kwamen waren al wat ouder en zij vonden het goed als wij in hun afval naar wat eetbaars zochten. Als we brood vonden mochten we dat meenemen.

Ook als er treinen aankwamen met een lading aardappels, dan gingen mijn broertje, mijn zusje en ik 's nachts aardappels stelen, nou ja, we hebben ze gewoon weggenomen, stelen is een groot woord in zo'n situatie. De soldaten wisten er van, maar ze zeiden niets. We hebben er natuurlijk niet veel meegenomen, maar alleen die, die we onder de wagons vonden. Maar later, toen er ook tieners kwamen zoeken, werd het moeilijker.

Mijn vader had voor mijn broertje en mij stokjes met een spijker aan het eind gemaakt waarmee we sigarettenpeukjes konden rapen. Zonder te bukken, want anders zouden oudere kinderen ons te grazen kunnen nemen. Mijn vader wilde met roken zijn honger wegnemen. Als hij rookte at hij minder en daardoor kregen wij, zijn vijf kinderen, iets meer te eten dan we anders gehad zouden hebben.

Maar ik moet eerlijk zeggen dat er ook bepaalde Duitsers waren waaraan ik alleen maar goede herinneringen heb. Er was er één in het marais du Logit, het gebied even buiten Le Verdon. Daar was een Duitse soldaat die de koe van een kapitein molk en die heeft brood weggenomen en aan mijn vader gegeven. En wij, mijn broer en ik, zijn 's nachts gekomen om dat brood te halen. Die Duitse soldaat is helaas door anderen verraden en daarna naar het oostfront gestuurd.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Huguette Mothes (Gaillan)

Ik was ongeveer 14 jaar toen de Duitsters Lesparre bombardeerden, of om precies te zijn, 13 en een half, en ik woonde in Gaillan. Mijn moeder zei tegen mij: "Neem die zak aardperen en breng die weg", dat wil zeggen naar de mensen bij wie ze voor het huishouden zorgde. Samen met mijn vriendinnetje ben ik toen op de fiets, de aardperen op de bagagedrager, naar Lesparre vertrokken.

Wij hadden er natuurlijk geen idee van dat Lesparre onder vuur zou komen te liggen en als we het geweten hadden, dan zou mijn moeder ons nooit hebben laten gaan. Wij zijn dus door Lesparre gefietst en op de Place Gambetta, tegenover het huidige Espace François Mitterand stonden een heleboel tanks, het plein was met tanks helemaal geblokkeerd. Uiteindelijk zijn we daar langs gekomen. De mensen waar we naar toe moesten, die woonden op de Cours Jean Jaurès, dat is in de richting van St. Trélody. Bij die mensen, de man was rechter, deed mijn moeder de huishouding.

Toen we aangekomen waren klopten we op de deur en na een tijdje, ik weet het niet meer precies, deed de vrouw des huizes open en wij gaven de aardperen af. We bleven er nog even en wilden toen naar huis gaan. In die tijd beklommen we graag de toren, maar daar zijn we niet heengegaan omdat er weer bommen vielen. Heel precies weet ik niet niet meer, maar we kwamen weer op de Place Gambetta, waar al die tanks stonden. Een kleine soldaat riep naar ons: "snel, snel, meisjes, jullie moeten hier wegwezen!" En hij nam ons mee en iedereen maakte dat hij van het plein weg kwam.

Dat was het moment dat de bommen vielen. Maar wij waren niet erg onder de indruk, we waren nog maar kinderen van een jaar of veertien. Wij zijn thuis gekomen en mijn moeder was doodongerust omdat ze dacht dat we nog onderweg waren. Die dag vielen er helaas ook doden en gewonden.

Een of twee dagen daarna ging mijn moeder weer naar de mensen waar we waren geweest en die zeiden: "weet u wel dat we u bijzonder dankbaar zijn voor de aardperen, want uw dochter heeft ons daarmee het leven gered". Toen wij kwamen deden ze namelijk net een middagdutje en kort daarop is juist op hun bed een granaat ontploft.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Raymond Drouet (Le Verdon)

Ik zou graag de Duitse arts terugvinden, die mij verzorgd heeft. Tijdens de bevrijding heb ik namelijk een houder van een gasmasker met poeder gevuld en dat is geëxplodeerd. Ik had brandwonden in gezicht en op mijn handen. Ik ben naar de Duitse dokter gebracht omdat de Franse dokter nog niet was teruggekeerd. Die Duitse dokter zou ik graag weer ontmoeten…..of ik zou graag willen weten wat er van hem is geworden. Hij heette, geloof ik, Zimmermann.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Jean-René Lacoste (Soulac)

Tijdens de evacuatie ben ik, net als mijn vrienden, vertrokken. De scholen werden gesloten, iedereen ging weg. We moesten haast maken, net als al mijn medescholieren. Ik ben meegenomen door mijn moeder en mijn grootmoeder. Mijn grootouders van vaderszijde zijn met mijn vader in de regio gebleven. Ik werd met mijn neefjes naar Cissac geëvacueerd, ik reed op de fiets van mijn broer, die op zijn beurt weer in een karretje zat dat mijn grootmoeder achter zich aan trok.

Ik kan me nog goed het vuurwerk herinneren, dat naar aanleiding van het bezoek van veldmaarschalk Rommel in februari 1944 werd afgestoken. Tijdens dat vuurwerk stond Rommel op het balkon van het Hotel de la Plage.

Ik herinner me ook het Indische legioen, dat deel uitmaakte van de Wehrmacht. Als ze gingen baden, dan deden ze hun tulbanden af en kwamen hun lange haren tevoorschijn, wat erg indrukwekkend was. Er was ook een fanfare, die regelmatig voor de school een aubade bracht. Daarbij schrok ik me meer dan eens dood: het was de grote trom, die me werkelijk schrik aanjoeg.

Ik weet ook nog dat het transformatorstation door een Engels vliegtuig werd beschoten. Het is het enige gebouw in Soulac dat nog met de Duitse camouflagekleuren beschilderd is.

Er waren geen grote problemen tussen de bevolking en de bezetter. Voor zover ik weet zijn er geen burgerslachtoffers gevallen in deze regio, er waren absoluut helemaal geen slachtoffers. Wat het voedsel betreft, vanaf het moment dat het versterkte gedeelte omsingeld was kreeg de Franse bevolking voedsel van de Duitsers. We kregen bijvoorbeeld 's morgens soep met bonen of wortels en een beetje meel, een halve liter ongeveer, dat was dan voor de ochtend. En dan 's middags of 's avonds 350 gram brood, 15 gram boter en 50 gram vleesconserven. Dat was zo ongeveer wat we te eten hadden.

Zo af en toe denk ik er over na wat bij de bevrijding van de Médoc had kunnen gebeuren en realiseer ik mij de absurditeit van de oorlog. Daarvoor moet je weten, dat wij op 22 april 1945 bevrijd werden, maar dat Bordeaux al in augustus 1944 was bevrijd en dat de bezetters hier dus al die tijd niet meer bevoorraad werden. En als je het noordelijk deel van de Médoc een beetje kent, dan begrijp je dat hier nauwelijks meer iets te eten was. Desondanks hadden wij dus toch nog wat. Wat mij werkelijk aan het hart gaat, of je het nu van de ene of van de andere kant bekijkt, dat er ongeveer 1200 mensen zijn gedood, absoluut nutteloze doden, terwijl de wapenstilstand 15 dagen later werd ondertekend. En daar waren heel, heel erg fijne mensen bij…..

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Roger Dillemann (St Vivien)

Wij werden op een vrijdag geëvacueerd, het goot van de regen. In Queyrac werden we door het Rode Kruis opgevangen. Ik herinner me nog heel goed, al was ik nog erg jong, dat er bij mijn ouders, die in een kasteel woonden, 50 Duitsers in het park hun tenten hadden opgeslagen terwijl de Duitse officieren de begane grond en de eerste verdieping van de noordvleugel hadden ingenomen. Ze hadden daar ook wapens opgeslagen. Ze hielden zich daar heel strikt aan de regels. Op een dag kwam er een officier naar huis, die een beetje te veel wijn achter de kiezen had en in zijn dronkenschap brak hij de toiletpot. De bevelhebbende officier kwam de volgende dag bij mijn vader met de mededeling dat de pot meteen weer gerepareerd zou worden. Maar de officier die de pot had gebroken werd daarna naar het oostfront gestuurd.

En ik herinner me een andere Duitser, ik was toen 4 of 5 jaar, en hij had een zwak voor mij omdat hij zelf ook een zoon van die leeftijd had. Dus verwende hij mij met bonbons en chocola. Maar ik herinner me ook andere tijden, dat was toen de Duitsers krijgsgevangenen waren. Een paar van hen bleven in Frankrijk.

Op een dag, heel veel jaren later, was ik bezig de schoorsteen te vegen. Ik was toen bij de vrijwillige brandweer in St. Vivien.Er zaten bijen in de schoorsteen en mijn zwager hielp mij net om mijn beschermingspak aan te trekken. Er stopte een Duitse Mercedes voor de deur en de bestuurder vroeg aan mijn vrouw en mijn schoonzuster, die op straat stonden, of meneer Dillemann thuis was. Mijn vrouw wees op mij en zei: "Hij is hier". Een toen ik mijn beschermende pak uittrok en hij mijn gezicht kon zien riep hij "Roger!" Ik was verbaasd, tot hij me vertelde dat hij een jaar bij mijn vader had gewerkt en dat hij nu hier voorbij kwam op weg van Pointe de Grave naar Vendays.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer
Françoise Chaussade (Saint Vivien)

Ik heb geen belangrijke dingen te vertellen, behalve dat ik het heb overleefd! Toen ik vijf was ging ik naar school in Le Verdon en op een dag werd het schoolplein door een granaat getroffen. Alle kinderen moesten op de grond gaan liggen met hun hoofd tussen hun handen tot het bombardement voorbij was. Daarna werden de kinderen over verschillende plaatsen verdeeld, zodat ze niet allemaal tegelijk getroffen konden worden. En ik ben toen naar de school bij de oude bakkersoven gegaan.

De belangrijkste herinnering voor mij is de evacuatie, zoals dat hier wordt genoemd. Mijn ouders moesten, net als alle andere inwoners van het dorp hun huis verlaten om burgerslachtoffers te vermijden. Mijn moeder is te voet van Le Verdon naar Queyrac gegaan. Bij Vensac moest je een kanaal oversteken, maar er was geen brug meer.

De mensen moesten daarom via de modderige oevers het kanaal in gaan en aan de andere kant weer naar boven kruipen. Iedereen had meegenomen wat voor hem of haar het waardevolste was. Mijn moeder had mijn broertje en jongste zusje in de kinderwagen gezet, onze buren namen hun konijnen mee en anderen weer twee kippen... Iedereen redde wat dierbaar was, voor zover dat tenminste mogelijk was.

Mijn ouders zijn vanuit Queyrac met de trein verder gegaan, destijds liep de spoorbaan tot aan Queyrac. Zij gingen naar Bordeaux, een reis die de hele nacht duurde. In Bordeaux konden ze blijven omdat ze bij mijn tante terecht konden. De anderen moesten door naar La Réole, Langon en St. Macaire. Dat alles heeft tot april 1945 geduurd, daarna kon men langzaam aan weer terugkeren.

Transkript: Jacqueline Tabuteau; Vertaling: Marius van Deventer